Origineel plan uit 1937
Uitbreiding 1979
Uitbreiding 2003, nieuwe slaapvleugel
Hersteloord voor zieke kinderen
Hof Ten Bosch, ontworpen in 1937 door architect Léon Stynen in samenwerking met Gustave Wauters, is oorspronkelijk een hersteloord voor kinderen die voornamelijk worden getroffen door tuberculose. Tuberculose is een besmettelijke ziekte, veroorzaakt door de Mycobacterium.
Uit het architectuurtijdschrift “Bâtir” nr. 70 van september 1938
Bouwheer was de vzw Interprofessionele Kas voor Gezinsvergoedingen. De geschiedenis van het gebouw begint in 1926, wanneer de Antwerpse ondernemer François Constant Edouard Ceurvorst een stuk land koopt tussen de Hooge Caertsche Baan, de Leege Caertsche Baan en de Groote Mishagendreef. Hij verbouwde een kasteeltje rond 1900, gebouwd door dr. Kops-Van Dalsum en noemt zijn eigendom Hof Ten Bosch.
In 1931 kocht de vzw Interprofessionele Kas voor Gezinsvergoedingen het pand en besloot om er een hersteloord te bouwen voor kinderen met tuberculose. Aan architect Léon Stynen wordt een ontwerp gevraagd voor de realisatie van de plannen en het toezicht op het project. De naam Hof Ten Bosch, die François Constant Edouard Ceurvorst aan zijn eigendom geeft, wordt bewaard voor het toekomstige sanatorium.
De berekeningen van de structuur van Sanatorium Hof Ten Bos worden uitgevoerd door de Antwerpse ingenieur Léon Vereecke. De belangrijkste volumestructuur bestaat uit een betonskelet, samengesteld uit balken en kolommen en versterkt door ribben, met daarop een vloerplaat uit gewapend beton.
Het gebouw staat redelijk ver van de openbare weg om een belangrijkere link te creëren met de bosrijke omgeving.
Het plan dat in 1937 door Léon Stynen is getekend, heeft een L-vormige opstelling en bestaat uit twee verdiepingen. Om binnen te komen, gaan bezoekers door een overdekte buitenruimte - een verlenging van het plafond van het gelijkvloers - ondersteund door een reeks kolommen. De ingang geeft rechtstreeks uit op de hoofdruimte die verbinding geeft tot andere interne functies. Ten zuiden van de hal ligt een speelruimte, door grote schuiframen gekoppeld aan het buitenterras. De hal geeft ook toegang tot sanitaire faciliteiten, verborgen door gebogen muren.
De muren zijn versierd met werk van kunstschilder Julien Van Vlasselaer.
Alle dienstlokalen bevinden zich in de noordvleugel, net achter de eetzaal. De vleugel bevat een grote keuken, een opslagruimte en een wasruimte.
De vrij monumentale trap geeft toegang tot privéruimtes op de bovenste verdieping. De eerste verdieping is symmetrisch verdeeld met twee grote slaapzalen: de jongens verblijven in het zuidwesten, de meisjes in het noordoosten. Tussen de slaapzalen is een ruimte met wastafels en kasten. Vanuit deze ruimtes hebben de kinderen toegang tot een groot terras dat wordt gebruikt voor ochtendoefeningen. Achter de slaapzalen zijn twee kamers voor de surveillanten en verder toiletten, voetbaden, douches en - op het einde van de gang - een badkamer.
Over het algemeen hebben de ruimtes aan de zuidkant grote schuiframen voor een maximale lichtinval en gezonde luchttoevoer. De tuinaanleg is van de hand van Maurice Senecaut.
Aanzienlijke projectwijzigingen
Sanatorium Hof Ten Bos heeft in de loop van de tijd heel wat wijzigingen ondergaan, zowel op vlak van inhoud als architectuur. In 1948 werd een eerste verlenging ten noorden van het gebouw gemaakt voor twee nieuwe klaslokalen. De kruising tussen de extensie in gele baksteen en het bestaande volume gaat via de traphal. Origineel was het terras voor de zonnebanken niet bedekt met een dak. Er werd een dak over geplaatst zonder toezicht of zelfs goedkeuring van Léon Stynyen.
In 1959 verkocht de vzw Kas voor Gezinsvergoedingen het eigendom. Het gemeenschapsonderwijs koopt het pand en besluit er een internaat te installeren. Op 1 september 1960 opende het internaat voor jongens zijn deuren.
In 1979 kwam er een uitbereiding met extra atelierlokalen. Later moest de kostschool jonge meisjes verwelkomen, enerzijds door gebrek aan interesse voor kostscholen in het algemeen, maar ook omdat een internaat voor meisjes in Schoten was gesloten. De werkplekken en meisjeskamers werden geïnstalleerd in de villa ten noorden van het pand. Eten en speelmomenten vonden plaats in het hoofdgebouw.
In 2000, na een inspectie van brandveiligheid, werden een aantal ruimten aangepast aan de geldende brandnormen. In 2001 besliste het Gemeenschapsonderwijs om een volledige nieuwbouw te zetten voor de internen. Er volgde een open oproep voor de realisatie van deze nieuwbouw. Architectenbureaus zoals Dinet, Foubert en partners, Van hunsel Herman en Van hunsel Marian, SAR, Slesers-Martens en ZED-architecten nemen deel. Het kantoor van ZED-architecten won de wedstrijd.
Op 3 april 1995 wordt Hof ten Bos erkend als Beschermd Monument omwille van de zeer specifieke benadering van kinderen met tuberculose en de uitzonderlijk hoge architecturale waarde.
Architect Léon Stynen
Weinig Belgische architecten lieten zo’n markant en verscheiden oeuvre na als Léon Stynen (1899-1990). Hij kreeg zijn opleiding aan de Antwerpse academie. Naast een belangrijk architecturaal oeuvre speelde hij ook een grote rol in de ontwikkeling van het architectuuronderwijs en de uitbouw van beroepsstructuren in België. Hij werd in 1948 directeur van de architectuurafdeling van de academie van Antwerpen. In 1950 volgde hij Herman Teirlinck op als derde directeur van het Hoger Instituut voor de Sierkunsten Ter Kameren. In 1963 werd hij de eerste nationale voorzitter van de Orde van Architecten. In 1939 ontwierp Stynen samen met Henry van de Velde en Victor Bourgeois het Belgisch paviljoen voor de wereldtentoonstelling in New York. Bekende gebouwen van Stynen zijn de Singel, de BP-building en de casino’s van Oostende en Knokke.